Raster of vector? CMYK of RGB?
Je maakt een foto, plaatst ze op je website en gebruikt hetzelfde beeld later misschien ook in een brochure. Toch is niet elk beeld geschikt voor elke toepassing. Zodra je een afbeelding wilt vergroten, afdrukken of online publiceren, spelen het bestandstype en de kleurinstellingen een belangrijke rol.
Twee verschillen helpen je om veel voorkomende problemen te vermijden: RGB tegenover CMYK en raster tegenover vector.
RGB en CMYK: kleur voor scherm en drukwerk
RGB staat voor rood, groen en blauw. Schermen bouwen kleuren op met licht uit die drie kleurkanalen. Zonder licht zie je zwart. Wanneer rood, groen en blauw volledig worden gecombineerd, ontstaat wit. RGB is daarom de gebruikelijke kleurmodus voor websites, sociale media, presentaties en andere digitale toepassingen.
CMYK staat voor cyaan, magenta, geel en zwart. Bij drukwerk vertrekken we doorgaans van wit papier waarop inkten worden aangebracht. Die inkten absorberen een deel van het licht en vormen samen de uiteindelijke kleur. CMYK wordt vooral gebruikt bij commercieel drukwerk met vier proceskleuren.
RGB kan meer heldere kleuren weergeven dan met gewone CMYK-inkten gedrukt kunnen worden. Bij een omzetting kunnen kleuren daarom veranderen. Hoe groot dat verschil is, hangt onder meer af van de druktechniek, het papier en het gebruikte kleurprofiel.
Gebruik voor digitale toepassingen dus RGB. Voor drukwerk volg je het best de technische afspraken van de drukker of productiepartner. Soms lever je een afgewerkt CMYK-bestand aan, terwijl in andere workflows de omzetting tijdens de drukvoorbereiding gebeurt. Zet een beeld daarom niet zomaar om zonder te weten welk kleurprofiel nodig is.
Raster en vector: pixels of vormen
Een rasterbeeld bestaat uit een vast raster van kleine beeldpunten of pixels. Iedere pixel heeft een eigen kleur. Foto’s van een camera of smartphone zijn rasterbeelden, net zoals bestanden in formaten zoals JPG, PNG, TIFF en WebP.
Omdat een rasterbeeld een vast aantal pixels bevat, kan het bij een sterke vergroting onscherp of zichtbaar gepixeld worden. Het aantal pixels is belangrijk, maar moet altijd worden bekeken in verhouding tot het formaat waarop je het beeld wilt tonen of afdrukken. Meer megapixels alleen maken een foto niet automatisch beter.
Een vectorbeeld is opgebouwd uit punten, lijnen en vormen die wiskundig worden beschreven. Daardoor kan het worden vergroot of verkleind zonder scherpte te verliezen. Dat maakt vectorbestanden bijzonder geschikt voor logo’s, iconen, illustraties en andere grafische elementen die op verschillende formaten moeten worden gebruikt.
Een foto blijft doorgaans een rasterbeeld. Een logo bewaar je bij voorkeur ook als vectorbestand, bijvoorbeeld in AI-, EPS-, SVG- of een geschikt PDF-formaat. Sommige bestanden kunnen raster- en vectorelementen combineren.
Welk bestand heb je nodig?
- Voor een foto op een website gebruik je doorgaans een rasterbestand in RGB.
- Voor een logo of icoon kies je bij voorkeur een vectorbestand.
- Voor een foto in drukwerk heb je voldoende pixels en het juiste kleurprofiel nodig.
- Voor professioneel drukwerk volg je de afgesproken aanleverspecificaties.
Het juiste bestand hangt dus niet alleen af van wat erop staat, maar vooral van wat je ermee wilt doen. Bewaar waar mogelijk altijd het originele bestand. Van daaruit kun je de juiste versie maken voor scherm, drukwerk of een toepassing op groot formaat.
